Het meest veelzeggende detail in je bericht is: « het snoepje werkt op zulke momenten niet ». Als voer niet meer werkt, is dat geen motivatieprobleem: de hond zit dan boven zijn drempelwaarde. Boven die drempel is er niks meer dat hem kan laten leren — geen beloning, maar ook geen contact met de andere hond. Dat is precies de beperking van het eerder genoemde Premack-principe: het is een geweldige methode, maar het werkt alleen onder de drempelwaarde.
In de praktijk: zoek de afstand op waarop hij nog wél een snoepje aanneemt terwijl er een andere hond beweegt. Misschien is dat 15 meter, misschien 40. Dat is je trainingspunt — en het mooie is dat het meetbaar is: op de dag dat hij op 20 meter afstand nog eet terwijl dat eerst 40 meter was, heb je vooruitgang geboekt.
Wat betreft het verschil tussen zitten en bewegen: als hij zit, heeft hij een duidelijke opdracht en een helder criterium. Tijdens het lopen heeft hij niks te doen — en die leegte vult hij zelf in. Dit los je niet zozeer op met méér controle, maar door hem iets te laten doen terwijl je loopt: oogcontact met jou, of een paar meter strak naast je lopen (volgen). Vraag dit vóórdat je de ander passeert, niet tijdens.
Voor de momenten waarop je de afstand niet kunt vergroten, is het omdraaien echt een oefening op zich die je moet trainen. Doe dit in alle rust zonder andere honden in de buurt, totdat het vloeiend gaat. Een last-minute geïmproviseerde keertwending mislukt; een goed getrainde keertwending is een echte uitweg.
Tot slot: je oefeningen voor emotieregulatie zijn prima, maar die doe je nu in een rustige en vertrouwde omgeving. Het generaliseren naar buiten, met andere honden erbij, is een apart leerproces. Het is niet dat de training niet is aangeslagen, het moet alleen nog worden vertaald naar de praktijk. Voor een Hollandse Herder van 5 maanden oud lig je hiermee prima op schema.